Terug naar Jeremia 36
VSV
Statenvertaling

Jeremia 36:27

Toen kwam het woord des HEEREN tot Jeremia, nadat de koning de boekrol en de woorden die Baruch uit de mond van Jeremia geschreven had, verbrand had, zeggende:

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 36 — omringende verzen

22

De koning nu zat in het winterhuis, in de negende maand, en er was een vuur in de vuurpot voor hem brandende.

23

En het geschiedde, toen Jehudi drie of vier bladen gelezen had, dat hij het met een schrijfmes afsneed en in het vuur wierp dat in de vuurpot was, totdat de gehele boekrol verteerd was in het vuur dat in de vuurpot was.

24

En zij werden niet bevreesd en scheurden hun klederen niet, noch de koning, noch enige van zijn dienaren die al deze woorden hoorden.

25

Hoewel Elnathan en Delaja en Gemarja bij de koning aangedrongen hadden dat hij de boekrol niet zou verbranden, maar hij wilde naar hen niet luisteren.

26

Maar de koning gebood Jerachmeël, de zoon van Hammelech, en Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om Baruch, de schrijver, en Jeremia, de profeet, te grijpen; maar de HEER verborg hen.

27

Toen kwam het woord des HEEREN tot Jeremia, nadat de koning de boekrol en de woorden die Baruch uit de mond van Jeremia geschreven had, verbrand had, zeggende:

28

Neem voor u wederom een andere boekrol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste boekrol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft.

29

En tot Jojakim, de koning van Juda, zult gij zeggen: Zo zegt de HEER: Gij hebt deze boekrol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarin geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zeker komen en dit land verderven, en daaruit doen ophouden mens en dier?

30

Daarom, zo zegt de HEER van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit, en zijn dood lichaam zal weggeworpen worden, overdag aan de hitte, en 's nachts aan de vorst.

31

En Ik zal hem en zijn nakomelingen en zijn dienaren bezoeken om hun ongerechtigheid; en Ik zal over hen en over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het kwaad brengen dat Ik tegen hen gesproken heb, maar zij hebben niet geluisterd.

32

Toen nam Jeremia een andere boekrol en gaf die aan Baruch, de schrijver, de zoon van Neria, die daarop schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van het boek dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en er werden bovendien nog vele soortgelijke woorden aan toegevoegd.