Jeremia 37:20
“Daarom, hoor nu toch, ik bid u, mijn heer de koning: laat toch mijn smeekgebed voor uw aangezicht aangenomen worden, dat gij mij niet doet terugkeren naar het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 37 — omringende verzen
En de vorsten waren toornig op Jeremia en sloegen hem en zetten hem gevangen in het huis van Jonathan, de schrijver, want zij hadden dat tot een gevangenis gemaakt.
16Toen Jeremia in het gewelf en in de cellen gekomen was, en Jeremia daar vele dagen gebleven was,
17zond koning Sedekia en haalde hem; en de koning ondervroeg hem heimelijk in zijn huis en zeide: Is er een woord van de HEER? En Jeremia zeide: Dat is er; want, zeide hij, gij zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
18Voorts zeide Jeremia tot koning Sedekia: Wat heb ik tegen u of tegen uw dienaren of tegen dit volk misdaan, dat gij mij in de gevangenis gezet hebt?
19Waar zijn nu uw profeten die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen u of tegen dit land komen?
Daarom, hoor nu toch, ik bid u, mijn heer de koning: laat toch mijn smeekgebed voor uw aangezicht aangenomen worden, dat gij mij niet doet terugkeren naar het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve.
Toen gebood koning Sedekia dat men Jeremia zou vastzetten in de voorhof van de gevangenis, en dat men hem dagelijks een brood uit de Bakkerstraat zou geven, totdat al het brood in de stad op zou zijn. Zo bleef Jeremia in de voorhof van de gevangenis.