Terug naar Jeremia 37
VSV
Statenvertaling

Jeremia 37:5

En het leger van de farao was uit Egypte uitgetrokken; en toen de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, het bericht van hen hoorden, trokken zij weg van Jeruzalem.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 37 — omringende verzen

1

En koning Sedekia, de zoon van Josia, regeerde in de plaats van Konja, de zoon van Jojakim, die Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had over het land Juda.

2

Maar noch hij, noch zijn dienaren, noch het volk des lands luisterden naar de woorden des HEEREN, die Hij gesproken had door de profeet Jeremia.

3

En koning Sedekia zond Juchal, de zoon van Selemja, en Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, tot de profeet Jeremia, zeggende: Bid toch tot de HEER, onze God, voor ons.

4

En Jeremia ging nog in en uit onder het volk, want zij hadden hem nog niet in de gevangenis gezet.

5

En het leger van de farao was uit Egypte uitgetrokken; en toen de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, het bericht van hen hoorden, trokken zij weg van Jeruzalem.

6

Toen kwam het woord des HEEREN tot de profeet Jeremia, zeggende:

7

Zo zegt de HEER, de God van Israël: Zo zult gij zeggen tot de koning van Juda die u tot Mij gezonden heeft om Mij te raadplegen: Zie, het leger van de farao, dat u ter hulp uitgetrokken is, zal terugkeren naar Egypte, naar hun eigen land.

8

En de Chaldeeën zullen terugkomen en tegen deze stad strijden, en haar innemen en haar met vuur verbranden.

9

Zo zegt de HEER: Misleid uzelf niet, zeggende: De Chaldeeën zullen zeker van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.

10

Want al had gij het gehele leger der Chaldeeën, dat tegen u strijdt, verslagen, en waren er onder hen slechts gewonde mannen overgebleven, dan zouden zij nog, ieder in zijn tent, opstaan en deze stad met vuur verbranden.