Terug naar Jeremia 41
VSV
Statenvertaling

Jeremia 41:3

Ismaël doodde ook al de Joden die bij hem waren, namelijk bij Gedalia, te Mizpa, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, en de krijgslieden.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 41 — omringende verzen

1

En het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijken bloede, en de vorsten des konings, namelijk tien mannen met hem, tot Gedalia, de zoon van Ahikam, kwamen te Mizpa; en daar aten zij brood samen in Mizpa.

2

Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, en de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard en doodden hem, die de koning van Babel tot gouverneur over het land gesteld had.

3

Ismaël doodde ook al de Joden die bij hem waren, namelijk bij Gedalia, te Mizpa, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, en de krijgslieden.

4

En het geschiedde op de tweede dag nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist,

5

Dat er lieden kwamen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria, tachtig mannen, met geschoren baarden en gescheurde kleren, en insnijdingen makend, met spijsoffers en wierook in hun hand, om die te brengen naar het huis des HEREN.

6

En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al wenend gaande; en het geschiedde, toen hij hen ontmoette, dat hij tot hen zei: Komt tot Gedalia, de zoon van Ahikam.

7

En het geschiedde, toen zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen doodde en wierp hen in het midden van de put, hij en de mannen die bij hem waren.

8

Maar tien mannen werden onder hen gevonden die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben schatten in het veld, van tarwe en van gerst en van olie en van honing. Zo hield hij op en doodde hen niet onder hun broeders.