Terug naar Jeremia 41
VSV
Statenvertaling

Jeremia 41:6

En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al wenend gaande; en het geschiedde, toen hij hen ontmoette, dat hij tot hen zei: Komt tot Gedalia, de zoon van Ahikam.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 41 — omringende verzen

1

En het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijken bloede, en de vorsten des konings, namelijk tien mannen met hem, tot Gedalia, de zoon van Ahikam, kwamen te Mizpa; en daar aten zij brood samen in Mizpa.

2

Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, en de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard en doodden hem, die de koning van Babel tot gouverneur over het land gesteld had.

3

Ismaël doodde ook al de Joden die bij hem waren, namelijk bij Gedalia, te Mizpa, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, en de krijgslieden.

4

En het geschiedde op de tweede dag nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist,

5

Dat er lieden kwamen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria, tachtig mannen, met geschoren baarden en gescheurde kleren, en insnijdingen makend, met spijsoffers en wierook in hun hand, om die te brengen naar het huis des HEREN.

6

En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al wenend gaande; en het geschiedde, toen hij hen ontmoette, dat hij tot hen zei: Komt tot Gedalia, de zoon van Ahikam.

7

En het geschiedde, toen zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen doodde en wierp hen in het midden van de put, hij en de mannen die bij hem waren.

8

Maar tien mannen werden onder hen gevonden die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben schatten in het veld, van tarwe en van gerst en van olie en van honing. Zo hield hij op en doodde hen niet onder hun broeders.

9

De put nu waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen wierp die hij gedood had vanwege Gedalia, was dezelfde die koning Asa gemaakt had uit vrees voor Baësa, koning van Israël; en Ismaël, de zoon van Nethanja, vulde die met de verslagenen.

10

Toen voerde Ismaël al het overige volk dat in Mizpa was weggevoerd als gevangenen, namelijk de dochters van de koning en al het volk dat in Mizpa was achtergebleven, dat Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, had toevertrouwd aan Gedalia, de zoon van Ahikam; en Ismaël, de zoon van Nethanja, voerde hen weg als gevangenen en vertrok om over te steken naar de Ammonieten.

11

Maar toen Johanan, de zoon van Kareah, en al de aanvoerders der strijdkrachten die bij hem waren, hoorden van al het kwaad dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had,