Terug naar Jeremia 44
VSV
Statenvertaling

Jeremia 44:25

Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Gij en uw vrouwen hebt beiden met uw mond gesproken en met uw hand vervuld, zeggende: Wij zullen zeker onze geloften volbrengen die wij beloofd hebben, om reukwerk te branden voor de koningin des hemels en haar plengoffers te plengen. Stelt dan uw geloften maar vast en voert uw geloften maar uit.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 44 — omringende verzen

20

Toen zeide Jeremia tot het gehele volk, tot de mannen en tot de vrouwen en tot het gehele volk dat hem dat antwoord gegeven had:

21

Het reukwerk dat gij gebrand hebt in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, gij en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten en het volk des lands — heeft de HEER het niet gedacht en is het niet in Zijn hart opgekomen?

22

Zodat de HEER het niet langer verdragen kon vanwege de boosheid van uw daden en vanwege de gruwelen die gij begaan hebt; daarom is uw land geworden tot een woestenij, een ontzetting en een vloek, zonder inwoner, zoals op deze dag.

23

Omdat gij reukwerk gebrand hebt en omdat gij gezondigd hebt tegen de HEER, en de stem van de HEER niet gehoord hebt, noch in Zijn wet gewandeld hebt, noch in Zijn inzettingen, noch in Zijn getuigenissen; daarom is dit kwaad u overkomen, zoals op deze dag.

24

Voorts zeide Jeremia tot het gehele volk en tot alle vrouwen: Hoort het woord van de HEER, geheel Juda dat in het land Egypte is.

25

Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Gij en uw vrouwen hebt beiden met uw mond gesproken en met uw hand vervuld, zeggende: Wij zullen zeker onze geloften volbrengen die wij beloofd hebben, om reukwerk te branden voor de koningin des hemels en haar plengoffers te plengen. Stelt dan uw geloften maar vast en voert uw geloften maar uit.

26

Hoort daarom het woord van de HEER, geheel Juda dat in het land Egypte woont: Zie, Ik heb gezworen bij Mijn grote naam, zegt de HEER, dat Mijn naam niet meer genoemd zal worden in de mond van enig man van Juda in het gehele land Egypte, met de woorden: De Heer HEER leeft.

27

Zie, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda die in het land Egypte zijn, zullen verteerd worden door het zwaard en door de honger, totdat zij geheel ten einde zijn.

28

En het kleine getal dat aan het zwaard ontsnapt, zal terugkeren uit het land Egypte naar het land Juda; en het gehele overblijfsel van Juda dat in het land Egypte getrokken is om daar als vreemdeling te wonen, zal weten wiens woorden standhouden, de mijne of de hunne.

29

En dit zal u een teken zijn, zegt de HEER, dat Ik u straffen zal op deze plaats, opdat gij weet dat Mijn woorden stellig tegen u ten kwade zullen standhouden.

30

Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, overgeven in de hand van zijn vijanden en in de hand van hen die zijn leven zoeken; gelijk als Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, die zijn leven zocht.