Terug naar Jeremia 5
VSV
Statenvertaling

Jeremia 5:26

Want onder Mijn volk worden goddeloze mannen gevonden: zij loeren als hij die strikken zet; zij spannen een val, zij vangen mensen.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 5 — omringende verzen

21

Hoort toch dit, gij dwaas volk en zonder verstand; die ogen hebben en niet zien; die oren hebben en niet horen:

22

Vreest gij Mij niet? zegt de HEER: zult gij niet beven voor Mijn aangezicht, Die het zand tot grens van de zee gesteld hebt door een eeuwig besluit, zodat zij het niet kan overschrijden: en al woelen haar golven, zij kunnen niet zegevieren; al bruisen zij, zij kunnen er niet overheen?

23

Maar dit volk heeft een weerspannig en opstandig hart; zij zijn afgeweken en weggegaan.

24

Zij zeggen ook niet in hun hart: Laat ons nu de HEER onze God vrezen, Die regen geeft, zowel de vroege als de late regen, op zijn tijd: Die voor ons de vastgestelde weken van de oogst bewaart.

25

Uw ongerechtigheden hebben deze dingen afgewend, en uw zonden hebben het goede van u teruggehouden.

26

Want onder Mijn volk worden goddeloze mannen gevonden: zij loeren als hij die strikken zet; zij spannen een val, zij vangen mensen.

27

Zoals een kooi vol vogels is, zo zijn hun huizen vol bedrog: daardoor zijn zij groot geworden en rijk geworden.

28

Zij zijn vet en glanzend geworden; ja, zij gaan de daden der goddelozen te boven: zij berechten de zaak niet, de zaak van de wees, maar zij varen voorspoedig; en het recht van de behoeftigen berechten zij niet.

29

Zou Ik hierover geen rekenschap vragen? zegt de HEER: zou Mijn ziel zich niet wreken op zulk een volk als dit?

30

Een wonderlijke en gruwelijke zaak geschiedt in het land;

31

De profeten profeteren vals, en de priesters heersen door hun toedoen; en Mijn volk heeft het zo lief: maar wat zult gij doen op het einde daarvan?