Terug naar Jeremia 52
VSV
Statenvertaling

Jeremia 52:15

Toen voerde Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, een deel van de armen van het volk en de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en hen die overgelopen waren naar de koning van Babel, en de rest van de menigte als gevangenen weg.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 52 — omringende verzen

10

En de koning van Babel doodde de zonen van Zedekia voor zijn ogen; hij doodde ook alle vorsten van Juda in Ribla.

11

Daarna stak hij de ogen van Zedekia uit; en de koning van Babel bond hem in ketenen en voerde hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.

12

Nu in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand, dat is het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, die de koning van Babel diende, te Jeruzalem,

13

En verbrandde het huis van de HEER, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem; ja alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur;

14

En het gehele leger van de Chaldeeën dat bij de overste der lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.

15

Toen voerde Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, een deel van de armen van het volk en de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en hen die overgelopen waren naar de koning van Babel, en de rest van de menigte als gevangenen weg.

16

Maar Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, liet een deel van de armen van het land achter als wijngaardeniers en als akkerlieden.

17

Ook de koperen pilaren die in het huis van de HEER stonden, de voetstukken en de koperen zee die in het huis van de HEER was, braken de Chaldeeën af en brachten al het koper ervan naar Babel.

18

De ketels ook, en de schoppen en de snuiters en de schalen en de lepels en al de koperen vaten waarmee zij dienden, namen zij weg.

19

En de bekkens en de vuurpannen en de schalen en de ketels en de kandelaren en de lepels en de drinkschalen; wat van goud was, nam de overste der lijfwacht mee als goud, en wat van zilver was als zilver.

20

De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen stieren die onder de voetstukken stonden, welke koning Salomo voor het huis van de HEER gemaakt had; het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.