Jeremia 52:12
“Nu in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand, dat is het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, die de koning van Babel diende, te Jeruzalem,”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 52 — omringende verzen
Toen werd de stad opengebroken en vluchtten alle krijgslieden en gingen 's nachts uit de stad weg langs de weg van de poort tussen de twee muren, die bij de tuin van de koning was; (de Chaldeeën nu lagen rondom de stad;) en zij gingen de weg van de vlakte.
8Maar het leger van de Chaldeeën vervolgde de koning en haalde Zedekia in op de vlakten van Jericho; en heel zijn leger werd van hem verstrooid.
9Toen namen zij de koning gevangen en voerden hem naar de koning van Babel, naar Ribla in het land Hamath; en hij velde vonnis over hem.
10En de koning van Babel doodde de zonen van Zedekia voor zijn ogen; hij doodde ook alle vorsten van Juda in Ribla.
11Daarna stak hij de ogen van Zedekia uit; en de koning van Babel bond hem in ketenen en voerde hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.
Nu in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand, dat is het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, die de koning van Babel diende, te Jeruzalem,
En verbrandde het huis van de HEER, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem; ja alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur;
14En het gehele leger van de Chaldeeën dat bij de overste der lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.
15Toen voerde Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, een deel van de armen van het volk en de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en hen die overgelopen waren naar de koning van Babel, en de rest van de menigte als gevangenen weg.
16Maar Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, liet een deel van de armen van het land achter als wijngaardeniers en als akkerlieden.
17Ook de koperen pilaren die in het huis van de HEER stonden, de voetstukken en de koperen zee die in het huis van de HEER was, braken de Chaldeeën af en brachten al het koper ervan naar Babel.