Jeremia 6:20
“Waartoe komt er mij wierook uit Scheba, en zoete riet uit een ver land? uw brandoffers zijn niet welgevallig, noch uw slachtoffers aangenaam voor Mij.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 6 — omringende verzen
Schaamden zij zich, toen zij een gruwel begaan hadden? neen, zij schaamden zich in het geheel niet en konden niet blozen: daarom zullen zij vallen onder hen die vallen: ten tijde dat Ik hen bezoek, zullen zij struikelen, zegt de HEER.
16Zo zegt de HEER: Staat op de wegen en ziet, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin, en gij zult rust vinden voor uw zielen. Maar zij zeiden: Wij willen daarin niet wandelen.
17Ook heb Ik wachters over u gesteld, zeggende: Geeft acht op het geluid van de bazuin. Maar zij zeiden: Wij willen niet luisteren.
18Hoort daarom, gij volken, en weet, o gemeente, wat er onder hen is.
19Hoort, o aarde: zie, Ik zal onheil over dit volk brengen, de vrucht van hun gedachten, omdat zij niet geluisterd hebben naar Mijn woorden, noch naar Mijn wet, maar die verworpen hebben.
Waartoe komt er mij wierook uit Scheba, en zoete riet uit een ver land? uw brandoffers zijn niet welgevallig, noch uw slachtoffers aangenaam voor Mij.
Daarom, zo zegt de HEER: Zie, Ik zal struikelblokken voor dit volk leggen, en de vaders en de zonen tesamen zullen daarover vallen; de buurman en zijn vriend zullen omkomen.
22Zo zegt de HEER: Zie, een volk komt uit het noorderland, en een groot volk zal worden opgewekt van de uithoeken der aarde.
23Zij grijpen naar boog en speer; zij zijn wreed en ontferming kennen zij niet; hun stem bruist als de zee; en zij rijden op paarden, slagvaardig opgesteld als mannen ten strijde tegen u, o dochter van Sion.
24Wij hebben het gerucht daarvan gehoord: onze handen worden slap: angst heeft ons gegrepen, en pijn als van een barende vrouw.
25Gaat niet uit naar het veld, en wandelt niet op de weg; want het zwaard van de vijand en schrik is aan alle kanten.