Jeremia 6:24
“Wij hebben het gerucht daarvan gehoord: onze handen worden slap: angst heeft ons gegrepen, en pijn als van een barende vrouw.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 6 — omringende verzen
Hoort, o aarde: zie, Ik zal onheil over dit volk brengen, de vrucht van hun gedachten, omdat zij niet geluisterd hebben naar Mijn woorden, noch naar Mijn wet, maar die verworpen hebben.
20Waartoe komt er mij wierook uit Scheba, en zoete riet uit een ver land? uw brandoffers zijn niet welgevallig, noch uw slachtoffers aangenaam voor Mij.
21Daarom, zo zegt de HEER: Zie, Ik zal struikelblokken voor dit volk leggen, en de vaders en de zonen tesamen zullen daarover vallen; de buurman en zijn vriend zullen omkomen.
22Zo zegt de HEER: Zie, een volk komt uit het noorderland, en een groot volk zal worden opgewekt van de uithoeken der aarde.
23Zij grijpen naar boog en speer; zij zijn wreed en ontferming kennen zij niet; hun stem bruist als de zee; en zij rijden op paarden, slagvaardig opgesteld als mannen ten strijde tegen u, o dochter van Sion.
Wij hebben het gerucht daarvan gehoord: onze handen worden slap: angst heeft ons gegrepen, en pijn als van een barende vrouw.
Gaat niet uit naar het veld, en wandelt niet op de weg; want het zwaard van de vijand en schrik is aan alle kanten.
26O dochter van mijn volk, omgord u met een zak en wentelt u in de as: maakt u een rouw als over een enige zoon, een allerbitterste weeklacht: want de verwoester zal plotseling over ons komen.
27Ik heb u gesteld tot een toetssteen en een vesting onder Mijn volk, opdat gij hun weg zou kennen en beproeven.
28Zij zijn allen hardnekkige afvalligen, wandelend met lasteringen: zij zijn koper en ijzer; zij zijn allen verdervers.
29De blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd; de smelter smelt tevergeefs: want de goddelozen worden niet weggenomen.