Jesaja 1:12
“Wanneer gij voor Mijn aangezicht verschijnt, wie heeft dit van uw hand gevraagd, dat gij Mijn voorhoven betreedt?”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 1 — omringende verzen
Uw land is verwoest, uw steden zijn met vuur verbrand; uw land, vreemden verteren het voor uw ogen, en het is verwoest als door vreemden omgekeerd.
8En de dochter van Sion is overgebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommertuin, als een belegerde stad.
9Indien de HEER der heerscharen ons niet een zeer kleine rest had overgelaten, wij zouden als Sodom zijn geworden, en wij zouden Gomorra gelijk zijn geweest.
10Hoort het woord van de HEER, gij vorsten van Sodom; neemt ter ore de wet van onze God, gij volk van Gomorra.
11Wat is Mij de menigte uwer offers? zegt de HEER: Ik ben verzadigd van de brandoffers van rammen en het vet van gemest vee; en Ik heb geen behagen in het bloed van stieren, van lammeren of van bokken.
Wanneer gij voor Mijn aangezicht verschijnt, wie heeft dit van uw hand gevraagd, dat gij Mijn voorhoven betreedt?
Brengt geen ijdele offeranden meer; reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe manen en sabbatten, het bijeenroepen van vergaderingen — Ik verdraag het niet; het is ongerechtigheid, zelfs de plechtige samenkomst.
14Uw nieuwe manen en uw vastgestelde feesten haat Mijn ziel: zij zijn Mij een last; Ik ben moede ze te dragen.
15En wanneer gij uw handen uitbreidt, zal Ik Mijn ogen voor u verbergen; ja, wanneer gij vele gebeden doet, zal Ik niet horen; uw handen zijn vol bloed.
16Wast u, reinigt u; doet het kwaad van uw handelingen van voor Mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen;
17Leert goed te doen; zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, bepleit de zaak van de weduwe.