Jesaja 1:4
“Wee dit zondige volk, een volk beladen met ongerechtigheid, een zaad van kwaaddoeners, kinderen die verderf brengen: zij hebben de HEER verlaten, zij hebben de Heilige Israëls tot toorn verwekt, zij zijn achterwaarts afgeweken.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 1 — omringende verzen
Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij aanschouwde aangaande Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda.
2Hoort, o hemelen, en neemt ter ore, o aarde: want de HEER heeft gesproken: Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij hebben zich tegen Mij verzet.
3De os kent zijn eigenaar, en de ezel de krib van zijn meester; maar Israël kent het niet, Mijn volk beschouwt het niet.
Wee dit zondige volk, een volk beladen met ongerechtigheid, een zaad van kwaaddoeners, kinderen die verderf brengen: zij hebben de HEER verlaten, zij hebben de Heilige Israëls tot toorn verwekt, zij zijn achterwaarts afgeweken.
Waartoe zoudt gij nog geslagen worden? Gij zult steeds meer afvallen; het gehele hoofd is ziek en het gehele hart is mat.
6Van de voetzool tot het hoofd is er geen gezondheid in; maar wonden, striemen en etterbuilen: zij zijn niet gesloten, noch verbonden, noch met olie verzacht.
7Uw land is verwoest, uw steden zijn met vuur verbrand; uw land, vreemden verteren het voor uw ogen, en het is verwoest als door vreemden omgekeerd.
8En de dochter van Sion is overgebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommertuin, als een belegerde stad.
9Indien de HEER der heerscharen ons niet een zeer kleine rest had overgelaten, wij zouden als Sodom zijn geworden, en wij zouden Gomorra gelijk zijn geweest.