Terug naar Jesaja 10
VSV
Statenvertaling

Jesaja 10:13

Want hij zegt: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid; want ik ben verstandig; en ik heb de grenzen der volken verlegd, en hun schatten geplunderd, en ik heb de inwoners neergestoten als een geweldenaar.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 10 — omringende verzen

8

Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet alle koningen?

9

Is Kalno niet als Karkemis? Is Hamath niet als Arpad? Is Samaria niet als Damascus?

10

Gelijk mijn hand de koninkrijken van de afgoden gevonden heeft, wier gesneden beelden die van Jeruzalem en van Samaria overtroffen;

11

Zou ik niet met Jeruzalem en haar afgoden doen gelijk ik gedaan heb met Samaria en haar afgoden?

12

Daarom zal het geschieden, wanneer de Heer Zijn gehele werk op de berg Sion en in Jeruzalem heeft volbracht, dat Ik de vrucht van de hoogmoed van de koning van Assyrië zal straffen, en de glorie van zijn hooghartige blikken.

13

Want hij zegt: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid; want ik ben verstandig; en ik heb de grenzen der volken verlegd, en hun schatten geplunderd, en ik heb de inwoners neergestoten als een geweldenaar.

14

En mijn hand heeft als een nest de rijkdommen der volken gevonden; en gelijk men eieren verzamelt die verlaten zijn, heb ik de gehele aarde verzameld; en er was niemand die een vleugel bewoog, of de mond opende, of piepte.

15

Zal de bijl zich verheffen tegen hem die ermee hakt? Of zal de zaag zich vergroten tegen hem die haar trekt? Alsof de roede zich hief tegen hen die haar opheffen, alsof de staf zich ophief alsof hij geen hout was.

16

Daarom zal de Heer, de HEER der heerscharen, onder zijn welgevulden magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand ontsteken als de gloed van een vuur.

17

En het Licht van Israël zal zijn tot een vuur, en zijn Heilige tot een vlam; en het zal zijn doornen en distels branden en verteren in één dag.

18

En het zal de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbaar veld verteren, van ziel tot lichaam; en zij zullen zijn als wanneer een vaandeldrager bezwijkt.