Terug naar Jesaja 10
VSV
Statenvertaling

Jesaja 10:8

Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet alle koningen?

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 10 — omringende verzen

3

En wat zult u doen op de dag der bezoeking, en bij de verwoesting die van verre zal komen? Tot wie zult u vluchten om hulp? En waar zult u uw heerlijkheid laten?

4

Zonder Mij zullen zij neerbukken onder de gevangenen, en zij zullen vallen onder de verslagenen. In dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

5

Wee de Assyriër, de roede van Mijn toorn; de staf in hun hand is Mijn gramschap.

6

Ik zend hem tegen een huichelachtig volk, en tegen het volk van Mijn toorn gebied Ik hem om buit te maken en roof te plegen, en om hen neer te trappen als het slijk der straten.

7

Maar hij bedoelt het niet zo, en zijn hart denkt niet zo; maar het is in zijn hart om te verdelgen en menige volken uit te roeien.

8

Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet alle koningen?

9

Is Kalno niet als Karkemis? Is Hamath niet als Arpad? Is Samaria niet als Damascus?

10

Gelijk mijn hand de koninkrijken van de afgoden gevonden heeft, wier gesneden beelden die van Jeruzalem en van Samaria overtroffen;

11

Zou ik niet met Jeruzalem en haar afgoden doen gelijk ik gedaan heb met Samaria en haar afgoden?

12

Daarom zal het geschieden, wanneer de Heer Zijn gehele werk op de berg Sion en in Jeruzalem heeft volbracht, dat Ik de vrucht van de hoogmoed van de koning van Assyrië zal straffen, en de glorie van zijn hooghartige blikken.

13

Want hij zegt: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid; want ik ben verstandig; en ik heb de grenzen der volken verlegd, en hun schatten geplunderd, en ik heb de inwoners neergestoten als een geweldenaar.