Jesaja 10:4
“Zonder Mij zullen zij neerbukken onder de gevangenen, en zij zullen vallen onder de verslagenen. In dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 10 — omringende verzen
Wee hun die onrechtvaardige wetten uitvaardigen en die verdrukking voorschrijven,
2Om de behoeftigen van het recht af te wenden en het recht van de armen van mijn volk weg te nemen, opdat weduwen hun buit zijn en zij de wezen beroven!
3En wat zult u doen op de dag der bezoeking, en bij de verwoesting die van verre zal komen? Tot wie zult u vluchten om hulp? En waar zult u uw heerlijkheid laten?
Zonder Mij zullen zij neerbukken onder de gevangenen, en zij zullen vallen onder de verslagenen. In dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Wee de Assyriër, de roede van Mijn toorn; de staf in hun hand is Mijn gramschap.
6Ik zend hem tegen een huichelachtig volk, en tegen het volk van Mijn toorn gebied Ik hem om buit te maken en roof te plegen, en om hen neer te trappen als het slijk der straten.
7Maar hij bedoelt het niet zo, en zijn hart denkt niet zo; maar het is in zijn hart om te verdelgen en menige volken uit te roeien.
8Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet alle koningen?
9Is Kalno niet als Karkemis? Is Hamath niet als Arpad? Is Samaria niet als Damascus?