Jesaja 13:3
“Ik heb mijn geheiligden geboden, Ik heb ook mijn helden geroepen voor mijn toorn, ja hen die jubelen in mijn hoogheid.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 13 — omringende verzen
De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, aanschouwde.
2Heft een banier op op de hoge berg, verheft de stem tot hen, zwaait de hand, opdat zij de poorten der edelen binnengaan.
Ik heb mijn geheiligden geboden, Ik heb ook mijn helden geroepen voor mijn toorn, ja hen die jubelen in mijn hoogheid.
Er is een gedreun van een menigte op de gebergten, als van een groot volk; een woelend gedruis van koninkrijken der volken, vergaderd bijeen; de HEER der heerscharen rost het heir des strijds.
5Zij komen uit een ver land, van het einde des hemels, de HEER zelfs en de wapenen zijner gramschap, om het ganse land te verderven.
6Huilt, want de dag des HEREN is nabij; als een verwoesting van de Almachtige zal hij komen.
7Daarom zullen alle handen verslagen zijn, en elk menselijk hart zal smelten.
8En zij zullen bevreesd zijn; weeën en smarten zullen hen aangrijpen; zij zullen in pijn zijn als een barende vrouw; zij zullen verbijsterd naar elkander zien; hun aangezichten zullen zijn als vlammen.