Jesaja 14:22
“Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEER der heerscharen, en Ik zal uit Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de kleinzoon, spreekt de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 14 — omringende verzen
Die de wereld tot een woestenij maakte, en haar steden verwoestte; die zijn gevangenen niet naar huis liet keren?
18Alle koningen der volken, ja allen tezamen, liggen in eer, een ieder in zijn eigen huis.
19Maar gij zijt uit uw graf geworpen als een verachtelijke scheut, en als het kleed van hen die verslagen zijn, doorstoken met het zwaard, die neerdalen in de stenen van de put; als een vertrapt dood lichaam.
20Gij zult niet met hen verenigd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal nooit vermaard zijn.
21Bereidt de slachting voor zijn kinderen vanwege de ongerechtigheid van hun vaders; opdat zij niet opstaan, noch het land bezitten, noch het aardoppervlak met steden vervullen.
Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEER der heerscharen, en Ik zal uit Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de kleinzoon, spreekt de HEER.
Ik zal het ook maken tot een bezitting van de roerdomp en tot poelen van water; en Ik zal het wegvegen met de bezem der verwoesting, spreekt de HEER der heerscharen.
24De HEER der heerscharen heeft gezworen, zeggende: Voorwaar, gelijk als Ik gedacht heb, zo zal het geschieden; en gelijk als Ik voorgenomen heb, zo zal het bestaan:
25Dat Ik de Assyriër in mijn land verbreken zal, en op mijn gebergten hem vertreden zal; dan zal zijn juk van hen wijken, en zijn last zal van hun schouders afwijken.
26Dit is het voornemen dat voorgenomen is over de ganse aarde; en dit is de hand die uitgestrekt is over alle volken.
27Want de HEER der heerscharen heeft het besloten, en wie zal het verijdelen? En Zijn hand is uitgestrekt, en wie zal die terugkeren?