Jesaja 14:8
“Ja, de sparren verblijden zich over u, en de ceders van Libanon, zeggende: Sedert gij neergelegd zijt, is er geen houthakker meer tegen ons opgekomen.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 14 — omringende verzen
En het zal geschieden op de dag waarop de HEER u rust geven zal van uw smart, en van uw vrees, en van de harde dienstbaarheid waarin gij gedwongen werd te dienen,
4Dat gij deze spreuk opheffen zult tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe is de onderdrukker opgehouden, de gouden stad opgehouden!
5De HEER heeft de staf der goddelozen gebroken, de schepter der heersers.
6Hij die de volken sloeg in toorn met een aanhoudende slag, die de naties regeerde in gramschap, wordt vervolgd, en niemand weerhoudt het.
7De ganse aarde heeft rust en is stil; zij breken uit in gejubel.
Ja, de sparren verblijden zich over u, en de ceders van Libanon, zeggende: Sedert gij neergelegd zijt, is er geen houthakker meer tegen ons opgekomen.
Het dodenrijk van beneden is in beroering om u te ontmoeten bij uw komst; het wekt voor u de doden op, alle vorsten der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan.
10Allen zullen zij spreken en tot u zeggen: Zijt ook gij zo zwak geworden als wij? Zijt gij aan ons gelijk geworden?
11Uw pracht is neergedaald in het graf, en het geklank van uw luiten; de worm is onder u gespreid, en de wormen bedekken u.
12Hoe zijt gij gevallen uit de hemel, o Lucifer, zoon des dageraads! Hoe zijt gij ter aarde geveld, gij die de volken verzwakte!
13Want gij hebt in uw hart gezegd: Ik zal opvaren naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren Gods; en ik zal zitten op de berg der gemeente, aan de zijden van het noorden.