Jesaja 21:12
“De wachter zeide: De morgen komt, en ook de nacht; indien gij vragen wilt, vraagt; keert terug, komt.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 21 — omringende verzen
En hij zag een wagen met een span ruiters, een wagen van ezels en een wagen van kamelen; en hij luisterde aandachtig met grote oplettendheid.
8En hij riep: Een leeuw! Mijn heer, ik sta voortdurend op de wachttoren overdag, en ik ben de gehele nacht op mijn post gesteld.
9En zie, hier komt een wagen van mannen met een span ruiters. En hij antwoordde en zeide: Babel is gevallen, is gevallen; en alle gesneden beelden van haar goden heeft hij ter aarde gebroken.
10O mijn gedorste koren, en het graan van mijn dorsvloer; hetgeen ik van de HEER der heerscharen, de God van Israël, gehoord heb, heb ik u verkondigd.
11De last van Duma. Hij roept tot mij uit Seïr: Wachter, hoe ver is de nacht? Wachter, hoe ver is de nacht?
De wachter zeide: De morgen komt, en ook de nacht; indien gij vragen wilt, vraagt; keert terug, komt.
De last over Arabië. In het woud in Arabië zult gij overnachten, o gij reizende gezelschappen van Dedaniten.
14De inwoners van het land Tema brachten water aan hem die dorstig was; zij kwamen met brood hem tegemoet die vluchtte.
15Want zij waren gevlucht voor de zwaarden, voor het getrokken zwaard en voor de gespannen boog, en voor de hevigheid van de oorlog.
16Want zo heeft de HEER tot mij gezegd: Binnen een jaar, naar de jaren van een dagloner gerekend, zal al de heerlijkheid van Kedar vergaan.
17En het overblijfsel van het getal der boogschutters, de dappere mannen van de zonen van Kedar, zal verminderd worden; want de HEER, de God van Israël, heeft het gesproken.