Jesaja 36:11
“Toen zeiden Eljakim en Sebna en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Aramees, want wij verstaan het; en spreek niet tot ons in de taal der Joden, ten aanhoren van het volk dat op de muur is.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 36 — omringende verzen
Zie, gij vertrouwt op de staf van dit gebroken riet, op Egypte; waarop indien iemand leunt, het zijn hand zal ingaan en doorboren; zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.
7Maar indien gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER onze God; is Hij het niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u neerbuigen?
8Geeft nu toch borgtocht aan mijn heer, de koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, indien gij in staat zijt ruiters daarop te zetten van uw kant.
9Hoe dan zult gij het aangezicht afwenden van één landvoogd, de geringste van de dienaren van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor wagens en voor ruiters?
10En ben ik nu zonder de HEER opgetrokken tegen dit land om het te verwoesten? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verwoest het.
Toen zeiden Eljakim en Sebna en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Aramees, want wij verstaan het; en spreek niet tot ons in de taal der Joden, ten aanhoren van het volk dat op de muur is.
Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Heeft hij mij niet gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen water te drinken, tezamen met u?
13Toen stond Rabsake, en riep met luider stem in de taal der Joden, en zeide: Hoort de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië.
14Zo zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal niet in staat zijn u te verlossen.
15Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEER, zeggende: De HEER zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet overgegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.
16Luistert niet naar Hizkia; want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een verdrag met mij door een geschenk, en komt tot mij; en eet een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgenboom, en drinkt een ieder het water van zijn eigen cisterne;