Terug naar Jesaja 36
VSV
Statenvertaling

Jesaja 36:7

Maar indien gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER onze God; is Hij het niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u neerbuigen?

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 36 — omringende verzen

2

En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem, tot koning Hizkia, met een groot leger. En hij stond bij de waterleiding van de bovenste vijver aan de weg van het blekersveld.

3

Toen kwamen er tot hem Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis gesteld was, en Sebna de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

4

En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Welk vertrouwen is dit waarop gij vertrouwt?

5

Ik zeg, zegt gij (maar het zijn slechts ijdele woorden): ik heb raad en kracht tot de oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij in opstand zijt gekomen?

6

Zie, gij vertrouwt op de staf van dit gebroken riet, op Egypte; waarop indien iemand leunt, het zijn hand zal ingaan en doorboren; zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

7

Maar indien gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER onze God; is Hij het niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u neerbuigen?

8

Geeft nu toch borgtocht aan mijn heer, de koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, indien gij in staat zijt ruiters daarop te zetten van uw kant.

9

Hoe dan zult gij het aangezicht afwenden van één landvoogd, de geringste van de dienaren van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor wagens en voor ruiters?

10

En ben ik nu zonder de HEER opgetrokken tegen dit land om het te verwoesten? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verwoest het.

11

Toen zeiden Eljakim en Sebna en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Aramees, want wij verstaan het; en spreek niet tot ons in de taal der Joden, ten aanhoren van het volk dat op de muur is.

12

Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Heeft hij mij niet gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen water te drinken, tezamen met u?