Terug naar Jesaja 36
VSV
Statenvertaling

Jesaja 36:4

En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Welk vertrouwen is dit waarop gij vertrouwt?

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 36 — omringende verzen

1

En het geschiedde in het veertiende jaar van koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam.

2

En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem, tot koning Hizkia, met een groot leger. En hij stond bij de waterleiding van de bovenste vijver aan de weg van het blekersveld.

3

Toen kwamen er tot hem Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis gesteld was, en Sebna de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

4

En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Welk vertrouwen is dit waarop gij vertrouwt?

5

Ik zeg, zegt gij (maar het zijn slechts ijdele woorden): ik heb raad en kracht tot de oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij in opstand zijt gekomen?

6

Zie, gij vertrouwt op de staf van dit gebroken riet, op Egypte; waarop indien iemand leunt, het zijn hand zal ingaan en doorboren; zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

7

Maar indien gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER onze God; is Hij het niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u neerbuigen?

8

Geeft nu toch borgtocht aan mijn heer, de koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, indien gij in staat zijt ruiters daarop te zetten van uw kant.

9

Hoe dan zult gij het aangezicht afwenden van één landvoogd, de geringste van de dienaren van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor wagens en voor ruiters?