Terug naar Jesaja 37
VSV
Statenvertaling

Jesaja 37:27

Daarom waren hun inwoners van geringe kracht, zij waren ontsteld en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en als het groene kruid, als het gras op de daken, en als koren door de oostenwind verdord voor het opgeschoten is.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 37 — omringende verzen

22

Dit is het woord dat de HEER over hem gesproken heeft: De maagd, de dochter van Sion, veracht u en bespot u; de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

23

Wie hebt gij gesmaad en gelasterd? en tegen wie hebt gij uw stem verheven en uw ogen omhooggeslagen? Tegen de Heilige Israëls.

24

Door uw dienaren hebt gij de Heer gesmaad en gezegd: Door de menigte van mijn strijdwagens ben ik opgeklommen tot de hoogte der bergen, tot de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge ceders omhakken, en zijn uitgelezen cypressenbomen; en ik zal doordringen tot zijn verste uithoeken, tot het woud van zijn Karmel.

25

Ik heb gegraven en water gedronken; en met de zolen van mijn voeten heb ik alle rivieren der belegerde plaatsen drooggelegd.

26

Hebt gij niet lang geleden gehoord hoe ik dit gedaan heb; en van oudsher, dat ik het gevormd heb? Nu heb ik het ten uitvoer gebracht, zodat gij versterkte steden zoudt verwoesten tot puinhopen.

27

Daarom waren hun inwoners van geringe kracht, zij waren ontsteld en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en als het groene kruid, als het gras op de daken, en als koren door de oostenwind verdord voor het opgeschoten is.

28

Maar ik ken uw verblijfplaats, en uw uitgaan en uw ingaan, en uw woede tegen Mij.

29

Omdat uw woede tegen Mij en uw getier Mijn oren bereikt hebben, zal Ik Mijn haak in uw neus leggen en Mijn toom in uw lippen, en Ik zal u terugkeren langs de weg waarlangs gij gekomen zijt.

30

En dit zal u een teken zijn: dit jaar zult gij eten wat vanzelf opkomt, en het tweede jaar wat daaruit spruit; maar in het derde jaar, zaai en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.

31

En het overblijfsel van het huis van Juda dat ontkomen is, zal wederom wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven.

32

Want uit Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en uit de berg Sion zij die ontkomen zijn; de ijver van de HEER der heerscharen zal dit doen.