Jesaja 41:14
“Vrees niet, gij worm Jakobs, gij mannen van Israël; Ik help u, spreekt de HEER, en uw Verlosser is de Heilige Israëls.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 41 — omringende verzen
Gij, dien Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen heb van haar hoeken, en tot wie Ik gezegd heb: Gij zijt Mijn knecht, Ik heb u verkozen en u niet verworpen.
10Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet verschrikt, want Ik ben uw God; Ik zal u sterken, ja, Ik zal u helpen, ja, Ik zal u vasthouden met de rechterhand Mijner gerechtigheid.
11Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen die tegen u ontstoken zijn; zij zullen zijn als niets, en de mannen die met u twisten, zullen vergaan.
12Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden, namelijk de mannen die met u twist hadden; zij die tegen u oorlog voeren, zullen zijn als niets en als een nietigheid.
13Want Ik, de HEER uw God, houd uw rechterhand vast, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
Vrees niet, gij worm Jakobs, gij mannen van Israël; Ik help u, spreekt de HEER, en uw Verlosser is de Heilige Israëls.
Zie, Ik maak u tot een nieuw scherp dorsvoorwerp, met tanden voorzien; gij zult de bergen dorsen en vermalen, en de heuvels zult gij maken als kaf.
16Gij zult hen wannen, en de wind zal hen wegdragen, en de wervelwind zal hen verstrooien; maar gij zult u verheugen in de HEER, gij zult roemen in de Heilige Israëls.
17Als de ellendigen en noodruftigen water zoeken, en er is geen, en hun tong versmacht van dorst, dan zal Ik, de HEER, hen verhoren; Ik, de God Israëls, zal hen niet verlaten.
18Ik zal rivieren openen op de kale hoogten, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel, en het dorre land tot waterbronnen.
19Ik zal in de woestijn planten de ceder, de acacia, de mirt en de olijfboom; Ik zal in de wildernis zetten de cypres, de den en de beusboom te zamen,