Jesaja 60:11
“En uw poorten zullen steeds openstaan; zij zullen dag noch nacht gesloten worden, opdat men tot u brenge de rijkdom der heidenen en hun koningen geleid worden.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 60 — omringende verzen
Een menigte van kamelen zal u bedekken, de jonge kamelen van Midjan en Efa; allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij brengen en zij zullen de lofprijzingen van de HEER verkondigen.
7Alle kudden van Kedar zullen tot u vergaderd worden, de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen op Mijn altaar komen en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid verheerlijken.
8Wie zijn deze die vliegen als een wolk en als de duiven naar hun vensters?
9Voorwaar, de eilanden zullen op Mij wachten en de schepen van Tarsis allereerst, om uw zonen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van de HEER, uw God, en tot de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft.
10En de zonen der vreemdelingen zullen uw muren bouwen en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn goedgunstigheid heb Ik Mij over u ontfermd.
En uw poorten zullen steeds openstaan; zij zullen dag noch nacht gesloten worden, opdat men tot u brenge de rijkdom der heidenen en hun koningen geleid worden.
Want het volk en het koninkrijk dat u niet dienen wil, zal vergaan; ja, die heidenen zullen geheel verwoest worden.
13De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, de cipres, de olmboom en de buxus tezamen, om de plaats Mijns heiligdoms te versieren; en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken.
14En de zonen van wie u verdrukt hebben, zullen zich buigend tot u komen; en allen die u veracht hebben, zullen zich nederbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen: de stad van de HEER, het Sion van de Heilige Israëls.
15In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zodat niemand door u heen ging, zal Ik u maken tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.
16En gij zult de melk der heidenen zuigen en gij zult de borst der koningen zuigen; en gij zult weten dat Ik, de HEER, uw Heiland ben en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.