Terug naar Jesaja 65
VSV
Statenvertaling

Jesaja 65:8

Zo zegt de HEER: Gelijk de nieuwe wijn wordt gevonden in een tros, en men zegt: Verderf hem niet, want er is een zegen in; zo zal Ik doen om Mijner knechten wil, opdat Ik hen niet allen verderve.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 65 — omringende verzen

3

Een volk dat Mij voortdurend tot toorn verwekt voor Mijn aangezicht; dat offert in de hoven, en wierook brandt op bakstenen altaren;

4

Dat vertoeft bij de graven, en overnacht in de woestenij, dat varkensylees eet, en bouillon van gruwelijke dingen in hun vaten heeft;

5

Dat zegt: Blijf op uw afstand, kom niet bij mij, want ik ben heiliger dan gij. Dezen zijn een rook in Mijn neus, een vuur dat de gehele dag brandt.

6

Zie, het is voor Mij geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, vergelden in hun schoot,

7

Uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden van uw vaderen tegelijk, zegt de HEER, die wierook gebrand hebben op de bergen, en Mij gelasterd hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vroegere werk in hun schoot afmeten.

8

Zo zegt de HEER: Gelijk de nieuwe wijn wordt gevonden in een tros, en men zegt: Verderf hem niet, want er is een zegen in; zo zal Ik doen om Mijner knechten wil, opdat Ik hen niet allen verderve.

9

En Ik zal zaad voortbrengen uit Jakob, en uit Juda een erfgenaam van Mijn bergen; en Mijn uitverkorene zal het beërven, en Mijn knechten zullen daar wonen.

10

En Saron zal een schaapskooi zijn, en het dal van Achor een legerplaats voor de kudden, voor Mijn volk dat Mij heeft gezocht.

11

Maar gij zijt het die de HEER verlaat, die Mijn heilige berg vergeet, die een tafel toebereid voor de god Gad, en een drankoffergave schenkt voor de god Meni.

12

Daarom zal Ik u bestemmen voor het zwaard, en gij zult allen neerbukken voor de slachting; omdat Ik riep en gij niet antwoorddet, Ik sprak en gij niet hoorde, maar kwaad deedt voor Mijn ogen, en koos hetgeen Ik niet behaagde.

13

Daarom zegt de Heere HEER aldus: Zie, Mijn knechten zullen eten, maar gij zult honger lijden; zie, Mijn knechten zullen drinken, maar gij zult dorst lijden; zie, Mijn knechten zullen zich verblijden, maar gij zult beschaamd worden;