Terug naar Jesaja 66
VSV
Statenvertaling

Jesaja 66:5

Hoort het woord des HEREN, gij die beeft voor Zijn woord: Uw broederen die u haten, die u verstoten om Mijns Naams wil, zeggen: Laat de HEER verheerlijkt worden; maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 66 — omringende verzen

1

Zo zegt de HEER: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou het huis zijn dat gij Mij bouwt? en waar de plaats Mijner rust?

2

Want al die dingen heeft Mijn hand gemaakt, en al die dingen zijn er, zegt de HEER; maar op deze zal Ik zien, op hem namelijk die arm is en verslagen van geest, en die beeft voor Mijn woord.

3

Wie een os slacht, is als wie een mens doodslaat; wie een lam offert, als wie een hond de nek breekt; wie een offer brengt, als wie varkensbloed offert; wie wierook brandt, als wie een afgod zegent. Ja, zij hebben hun eigen wegen gekozen, en hun ziel behaagt zich in hun gruwelen.

4

Ik ook zal hun misleidingen kiezen, en hun verschrikkingen over hen brengen; omdat Ik riep en niemand antwoordde; omdat Ik sprak en zij niet hoorden; maar zij deden kwaad voor Mijn ogen, en verkozen hetgeen Mij niet behaagde.

5

Hoort het woord des HEREN, gij die beeft voor Zijn woord: Uw broederen die u haten, die u verstoten om Mijns Naams wil, zeggen: Laat de HEER verheerlijkt worden; maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden.

6

Een stem van rumoer uit de stad, een stem uit de tempel, een stem des HEREN die Zijn vijanden vergelding doet.

7

Voordat zij barensweeën had, heeft zij gebaard; voordat de pijn over haar kwam, is zij verlost van een mannelijk kind.

8

Wie heeft zoiets gehoord? wie heeft zulke dingen gezien? Zou een land in één dag voortgebracht worden? of zou een volk in één ogenblik geboren worden? Want zodra Sion in barensnood was, heeft zij haar kinderen gebaard.

9

Zou Ik ter baring brengen en niet doen baren? zegt de HEER; zou Ik doen baren en de schoot sluiten? zegt uw God.

10

Verblijdt u met Jeruzalem en juicht over haar, allen die haar liefhebben; weest verblijd met haar, met grote blijdschap, allen die over haar treuren;