Job 2:12
“En toen zij hun ogen van verre opsloegen en hem niet herkenden, verhieven zij hun stem en weenden; en zij scheurden ieder zijn mantel en wierpen stof op hun hoofden naar de hemel.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 2 — omringende verzen
Zo ging de satan heen van het aangezicht des HEREN en sloeg Job met boze zweren van zijn voetzool tot zijn kruin.
8En hij nam een potscherf om zich daarmee te krabben; en hij zat neer in de as.
9Toen zei zijn vrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Vloek God en sterf.
10Maar hij zei tot haar: Gij spreekt als een der dwaze vrouwen spreekt. Zullen wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job niet met zijn lippen.
11Toen nu Jobs drie vrienden hoorden van al dit onheil dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn woonplaats: Elifaz de Temaniet, Bildad de Suhiet en Zofar de Naämatiet; want zij hadden een afspraak gemaakt om samen te komen om hem te beklagen en te troosten.
En toen zij hun ogen van verre opsloegen en hem niet herkenden, verhieven zij hun stem en weenden; en zij scheurden ieder zijn mantel en wierpen stof op hun hoofden naar de hemel.
Zo zaten zij met hem neder op de grond, zeven dagen en zeven nachten, en niemand sprak een woord tot hem; want zij zagen dat zijn smart zeer groot was.