Job 30:25
“Heb ik niet geweend voor hem die in nood was? Was mijn ziel niet bedroefd om de arme?”
Kruisverwijzingen
Context
Job 30 — omringende verzen
Ik roep tot U, en Gij hoort mij niet; ik sta op, en Gij let niet op mij.
21Gij zijt wreed geworden jegens mij; met Uw sterke hand wederstaat Gij mij.
22Gij heft mij op in de wind; Gij doet mij erop rijden, en Gij doet mijn vermogen tenietgaan.
23Want ik weet dat Gij mij tot de dood zult brengen, en tot het huis der samenkomst voor alle levenden.
24Doch hij zal zijn hand niet uitstrekken tot het graf, al roepen zij in zijn verderf.
Heb ik niet geweend voor hem die in nood was? Was mijn ziel niet bedroefd om de arme?
Toen ik naar het goede uitzag, toen kwam het kwade over mij; en toen ik op het licht wachtte, toen kwam de duisternis.
27Mijn ingewanden kookten, en rustten niet; de dagen der verdrukking kwamen mij tegemoet.
28Ik ging treurend zonder zonneschijn; ik stond op, en riep in de vergadering.
29Ik ben een broeder der draken, en een metgezel der struisvogels.
30Mijn huid is zwart op mij, en mijn beenderen zijn verbrand van hitte.