Job 31:28
“Dit ook ware een ongerechtigheid, te berechten door de rechter; want ik zou de God van boven hebben verloochend.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 31 — omringende verzen
Want het verderf Gods was mij een schrik, en wegens Zijn hoogheid kon ik niet standhouden.
24Als ik van goud mijn hoop heb gemaakt, of tot het fijn goud heb gezegd: Gij zijt mijn vertrouwen;
25Als ik mij verblijd heb omdat mijn rijkdom groot was, en omdat mijn hand veel had verkregen;
26Als ik de zon heb aanschouwd terwijl zij scheen, of de maan wandelende in haar glans;
27En mijn hart is heimelijk verleid geweest, of mijn mond heeft mijn hand gekust;
Dit ook ware een ongerechtigheid, te berechten door de rechter; want ik zou de God van boven hebben verloochend.
Als ik mij verblijd heb over het verderf van hem die mij haatte, of mij verheven heb toen het kwaad hem trof;
30Noch heb ik mijn mond laten zondigen door een vloek over zijn ziel te wensen.
31Als de mannen van mijn tent niet zeiden: Och, hadden wij van zijn vlees! wij kunnen niet verzadigd worden.
32De vreemdeling overnachtte niet op straat; maar ik opende mijn deuren voor de reiziger.
33Als ik mijn overtredingen heb bedekt als Adam, door mijn ongerechtigheid te verbergen in mijn boezem;