VSV
StatenvertalingJob 39:1
“Kent gij de tijd waarop de steenbokken der rotsen werpen? Of kunt gij waarnemen wanneer de hinden baren?”
Kruisverwijzingen
Context
Job 39 — omringende verzen
1
2Kent gij de tijd waarop de steenbokken der rotsen werpen? Of kunt gij waarnemen wanneer de hinden baren?
Kunt gij de maanden tellen die zij vervullen? Of kent gij de tijd waarop zij werpen?
3Zij krommen zich, brengen hun jongen ter wereld en lossen zich van hun weeën.
4Hun jongen worden sterk, groeien op in het open veld; zij trekken weg en keren niet tot hen terug.
5Wie heeft de wilde ezel vrijgelaten? Of wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?
6Wiens huis Ik de wildernis gemaakt heb en het ziltige land zijn woonstede.