VSV
StatenvertalingJob 39:2
“Kunt gij de maanden tellen die zij vervullen? Of kent gij de tijd waarop zij werpen?”
Kruisverwijzingen
Context
Job 39 — omringende verzen
1
Kent gij de tijd waarop de steenbokken der rotsen werpen? Of kunt gij waarnemen wanneer de hinden baren?
2
3Kunt gij de maanden tellen die zij vervullen? Of kent gij de tijd waarop zij werpen?
Zij krommen zich, brengen hun jongen ter wereld en lossen zich van hun weeën.
4Hun jongen worden sterk, groeien op in het open veld; zij trekken weg en keren niet tot hen terug.
5Wie heeft de wilde ezel vrijgelaten? Of wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?
6Wiens huis Ik de wildernis gemaakt heb en het ziltige land zijn woonstede.
7Hij lacht om het gewoel der stad, noch hoort hij het geschreeuw van de drijver.