Terug naar Joël 2
VSV
Statenvertaling

Joël 2:17

Laat de priesters, de dienaren van de HEER, wenen tussen de voorhal en het altaar, en laat hen zeggen: Verschoon Uw volk, o HEER, en geef Uw erfenis niet over aan smaad, opdat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God?

Kruisverwijzingen

Context

Joël 2 — omringende verzen

12

Daarom ook nu, spreekt de HEER, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten, en met wenen, en met rouwklagen.

13

En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot de HEER uw God; want Hij is genadig en barmhartig, traag tot toorn en groot van goedertierenheid, en berouwt Hem het kwade.

14

Wie weet, zal Hij Zich omwenden en berouw hebben, en een zegen achter Zich laten; een spijsoffer en een drankoffer voor de HEER uw God?

15

Blaast de bazuin in Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen.

16

Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de ouderlingen, verzamelt de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom uit zijn kamer gaan, en de bruid uit haar slaapkamer.

17

Laat de priesters, de dienaren van de HEER, wenen tussen de voorhal en het altaar, en laat hen zeggen: Verschoon Uw volk, o HEER, en geef Uw erfenis niet over aan smaad, opdat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God?

18

Dan zal de HEER ijveren voor Zijn land en Zijn volk sparen.

19

Ja, de HEER zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Zie, Ik zend u koren, en wijn, en olie, en gij zult daarmede verzadigd worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot smaad onder de heidenen.

20

Maar Ik zal het noordelijk leger ver van u wegdrijven, en het verdrijven in een dor en woest land, met zijn aangezicht naar de oostelijke zee, en zijn achterste deel naar de uiterste zee; en zijn stank zal opstijgen, en zijn vuile reuk zal opstijgen, omdat het grote dingen heeft gedaan.

21

Vreest niet, o land; wees blij en verheug u; want de HEER zal grote dingen doen.

22

Vreest niet, gij dieren des velds; want de weiden van de woestijn zijn groen, want de boom draagt zijn vrucht, de vijgenboom en de wijnstok geven hun kracht.