Johannes 10:30
“Ik en de Vader zijn één.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 10 — omringende verzen
Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet; de werken die Ik doe in de naam van mijn Vader, die getuigen van Mij.
26Maar u gelooft niet, omdat u niet van mijn schapen bent, zoals Ik u gezegd heb.
27Mijn schapen horen mijn stem, en Ik ken hen en zij volgen Mij;
28en Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen geenszins verloren gaan, en niemand zal hen uit mijn hand rukken.
29Mijn Vader, die hen Mij gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan hen uit de hand van mijn Vader rukken.
Ik en de Vader zijn één.
De Joden namen dan opnieuw stenen op om Hem te stenigen.
32Jezus antwoordde hun: Vele goede werken heb Ik u getoond van mijn Vader; om welk van die werken stenigt u Mij?
33De Joden antwoordden Hem: Om een goed werk stenigen wij U niet, maar om godslastering, en omdat U, een mens zijnde, Uzelf God maakt.
34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden?
35Als Hij hen goden noemde tot wie het Woord van God gekomen is, en de Schrift niet gebroken kan worden,