Johannes 13:28
“Niemand van hen die aan tafel zaten wist echter waartoe Hij dit tot hem zei.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 13 — omringende verzen
Nu leunde één van Zijn discipelen, die Jezus liefhad, aan de boezem van Jezus.
24Simon Petrus wenkte hem dan, dat hij zou vragen wie het zou zijn over wie hij sprak.
25Hij nu, liggend aan de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heer, wie is het?
26Jezus antwoordde: Hij is het, aan wie Ik het stukje brood zal geven, wanneer Ik het gedoopt heb. En toen Hij het stukje brood gedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon.
27En na het stukje brood voer de satan in hem. Toen zeide Jezus tot hem: Wat gij doet, doe dat spoedig.
Niemand van hen die aan tafel zaten wist echter waartoe Hij dit tot hem zei.
Want sommigen dachten, omdat Judas de beurs had, dat Jezus hem had gezegd: Koop wat wij voor het feest nodig hebben; of dat hij iets aan de armen zou geven.
30Hij dan, het stukje brood ontvangen hebbende, ging terstond naar buiten; en het was nacht.
31Toen hij dan naar buiten gegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.
32Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zichzelf verheerlijken, en Hij zal Hem terstond verheerlijken.
33Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken; en zoals Ik tot de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo zeg Ik het nu ook tot u.