Johannes 4:10
“Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave Gods kende, en wist Wie het is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 4 — omringende verzen
Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had.
6En aldaar was de bron van Jakob. Jezus nu, vermoeid van de reis, zat zo neder bij de bron; en het was omtrent het zesde uur.
7Er komt een vrouw van Samaria om water te putten; Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.
8(Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om spijze te kopen.)
9Toen zei de vrouw van Samaria tegen Hem: Hoe is het dat U, een Jood zijnde, van mij te drinken vraagt, die een vrouw van Samaria ben? Want de Joden gaan niet om met de Samaritanen.
Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave Gods kende, en wist Wie het is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.
De vrouw zei tegen Hem: Heer, U hebt niets om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt U dan dat levende water?
12Bent U soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn vee?
13Jezus antwoordde en zei tegen haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen;
14Maar wie drinkt van het water dat Ik hem geven zal, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen; maar het water dat Ik hem geven zal, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot het eeuwige leven.
15De vrouw zei tegen Hem: Heer, geef mij dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hierheen hoef te komen om te putten.