Johannes 4:7
“Er komt een vrouw van Samaria om water te putten; Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 4 — omringende verzen
(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen,)
3Verliet Hij Judéa en vertrok wederom naar Galilea.
4En Hij moest door Samaria gaan.
5Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had.
6En aldaar was de bron van Jakob. Jezus nu, vermoeid van de reis, zat zo neder bij de bron; en het was omtrent het zesde uur.
Er komt een vrouw van Samaria om water te putten; Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.
(Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om spijze te kopen.)
9Toen zei de vrouw van Samaria tegen Hem: Hoe is het dat U, een Jood zijnde, van mij te drinken vraagt, die een vrouw van Samaria ben? Want de Joden gaan niet om met de Samaritanen.
10Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave Gods kende, en wist Wie het is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.
11De vrouw zei tegen Hem: Heer, U hebt niets om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt U dan dat levende water?
12Bent U soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn vee?