Jona 1:6
“De stuurman kwam naar hem toe en zei tegen hem: Wat overkomt u, slaper? Sta op, roep tot uw God! Misschien zal God aan ons denken, zodat wij niet omkomen.”
Kruisverwijzingen
Context
Jona 1 — omringende verzen
Het woord van de HEER nu kwam tot Jona, de zoon van Amittaï, zeggende:
2Sta op, ga naar Ninevé, die grote stad, en roep daarover; want hun boosheid is opgekomen voor Mijn aangezicht.
3Maar Jona stond op om te vluchten naar Tarsis, weg van de tegenwoordigheid van de HEER. Hij daalde af naar Joppe en vond een schip dat naar Tarsis voer. Hij betaalde het vaargeld en ging aan boord om met hen mee te reizen naar Tarsis, weg van de tegenwoordigheid van de HEER.
4Maar de HEER zond een geweldige wind uit over de zee, en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te breken.
5Toen werden de zeelieden bevreesd en riepen ieder tot zijn god, en zij wierpen de lading die in het schip was in de zee, om het te verlichten. Maar Jona was afgedaald naar het ruim van het schip, had zich neergelegd en was in diepe slaap gevallen.
De stuurman kwam naar hem toe en zei tegen hem: Wat overkomt u, slaper? Sta op, roep tot uw God! Misschien zal God aan ons denken, zodat wij niet omkomen.
Zij zeiden tot elkaar: Kom, laten wij loten, opdat wij weten door wiens schuld dit onheil over ons is gekomen. Zij wierpen dus het lot, en het lot viel op Jona.
8Toen zeiden zij tot hem: Vertel ons toch, door wiens schuld dit onheil over ons is gekomen. Wat is uw beroep, en waar komt u vandaan? Wat is uw land, en van welk volk bent u?
9Hij antwoordde hun: Ik ben een Hebreeër, en ik vrees de HEER, de God des hemels, die de zee en het droge land heeft gemaakt.
10Toen werden de mannen zeer bevreesd en zeiden tot hem: Waarom hebt u dit gedaan? Want de mannen wisten dat hij gevlucht was van de tegenwoordigheid van de HEER, omdat hij het hun had verteld.
11Zij zeiden tot hem: Wat moeten wij met u doen, opdat de zee tot rust komt voor ons? Want de zee werd steeds woester.