Terug naar Jozua 10
VSV
Statenvertaling

Jozua 10:8

En de HEER zeide tot Jozua: Vrees hen niet, want Ik heb hen in uw hand gegeven; niet één van hen zal voor u standhouden.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 10 — omringende verzen

3

Daarom zond Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, bericht aan Hoham, de koning van Hebron, en aan Piram, de koning van Jarmuth, en aan Jafia, de koning van Lachis, en aan Debir, de koning van Eglon, zeggende:

4

Kom op naar mij en help mij, opdat wij Gibeon mogen verslaan; want het heeft vrede gesloten met Jozua en met de kinderen Israëls.

5

Daarom kwamen de vijf koningen der Amorieten bijeen: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis en de koning van Eglon; en zij trokken op, zij en al hun legers, en legerden zich voor Gibeon en streden daartegen.

6

En de mannen van Gibeon zonden bericht naar Jozua in het kamp bij Gilgal, zeggende: Trek uw hand niet terug van uw knechten; kom snel naar ons op en red ons en help ons; want alle koningen der Amorieten die in de bergen wonen, hebben zich tegen ons verzameld.

7

Zo trok Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en al de dappere helden.

8

En de HEER zeide tot Jozua: Vrees hen niet, want Ik heb hen in uw hand gegeven; niet één van hen zal voor u standhouden.

9

Jozua dan overviel hen plotseling en trok van Gilgal op, de gehele nacht door.

10

En de HEER bracht hen in verwarring voor Israël, en sloeg hen met een grote slag bij Gibeon en achtervolgde hen langs de weg die oploopt naar Beth-Horon, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.

11

En het geschiedde, terwijl zij vluchtten voor Israël en zich op de afdaling van Beth-Horon bevonden, dat de HEER grote stenen vanuit de hemel op hen wierp tot Azeka toe, en zij stierven; er waren er meer die stierven door de hagelstenen dan die de kinderen Israëls met het zwaard doodden.

12

Toen sprak Jozua tot de HEER op de dag dat de HEER de Amorieten overgaf voor de kinderen Israëls, en hij zeide in het bijzijn van Israël: Zon, sta stil boven Gibeon; en gij, Maan, boven het dal van Ajalon.

13

En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich gewroken had op zijn vijanden. Is dit niet geschreven in het boek van Jasher? Zo stond de zon stil in het midden des hemels en haastte niet onder te gaan, omtrent een gehele dag.