Terug naar Jozua 18
VSV
Statenvertaling

Jozua 18:12

En hun grens aan de noordzijde was vanuit de Jordaan; en de grens liep op langs de zijde van Jericho aan de noordzijde, en liep op door het gebergte westwaarts; en de uitgangen daarvan waren in de woestijn van Beth-Aven.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 18 — omringende verzen

7

Maar de Levieten hebben geen deel onder u; want het priesterschap van de HEER is hun erfenis; en Gad, en Ruben, en de halve stam van Manasse hebben hun erfenis ontvangen aan de oostzijde van de Jordaan, die Mozes, de knecht van de HEER, hun gegeven heeft.

8

En de mannen stonden op en gingen heen; en Jozua gebood hun die het land zouden beschrijven, zeggende: Gaat en trekt door het land, beschrijft het, en keert tot mij terug, opdat ik hier voor u het lot werpe voor het aangezicht van de HEER te Silo.

9

En de mannen gingen en trokken door het land, en beschreven het naar de steden in zeven delen in een boek, en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.

10

En Jozua wierp het lot voor hen te Silo voor het aangezicht van de HEER; en Jozua verdeelde daar het land onder de kinderen Israëls, naar hun afdelingen.

11

En het lot van de stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun geslachten; en het gebied van hun lot lag tussen de kinderen van Juda en de kinderen van Jozef.

12

En hun grens aan de noordzijde was vanuit de Jordaan; en de grens liep op langs de zijde van Jericho aan de noordzijde, en liep op door het gebergte westwaarts; en de uitgangen daarvan waren in de woestijn van Beth-Aven.

13

En de grens liep van daar naar Luz, naar de zijde van Luz, dat is Bethel, zuidwaarts; en de grens daalde af naar Atarot-Addar, bij de heuvel die ten zuiden van Neder-Beth-Horon ligt.

14

En de grens wendde zich van daar en omgaf de hoek der zee zuidwaarts, van de heuvel die tegenover Beth-Horon aan de zuidzijde ligt; en de uitgangen daarvan waren bij Kirjath-Baäl, dat is Kirjath-Jearim, een stad der kinderen van Juda; dit was de westelijke zijde.

15

En de zuidelijke zijde was van het einde van Kirjath-Jearim; en de grens liep westwaarts, en ging uit tot aan de waterbron van Neftoah;

16

En de grens daalde af tot aan het einde van het gebergte dat voor het dal van de zoon van Hinnom ligt, en dat in het dal der reuzen aan de noordzijde ligt, en daalde af naar het dal van Hinnom, langs de zijde van Jebus aan de zuidkant, en daalde af naar Enrogel,

17

En boog zich naar het noorden, en ging uit naar En-Semes, en ging uit naar Geliloth, dat tegenover de hoogte van Adummim ligt, en daalde af naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben,