Terug naar Jozua 22
VSV
Statenvertaling

Jozua 22:19

Nochtans, als het land van uw bezitting onrein is, trekt dan over naar het land van de bezitting van de HEER, waar de tabernakel van de HEER staat, en neemt bezitting onder ons; maar verzet u niet tegen de HEER, en verzet u niet tegen ons door u een altaar te bouwen naast het altaar van de HEER, onze God.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 22 — omringende verzen

14

En met hem tien vorsten — uit elk stamhuis een vorst, door al de stammen van Israël — en elk was een hoofd van het huis hunner vaderen onder de duizenden van Israël.

15

En zij kwamen bij de kinderen van Ruben, bij de kinderen van Gad en bij de halve stam Manasse, in het land Gilead, en spraken met hen en zeiden:

16

Zo zegt de gehele vergadering van de HEER: Wat is deze overtreding die gij begaan hebt tegen de God van Israël, dat gij u heden afwendt van de HEER, doordat gij u een altaar hebt gebouwd, om u heden tegen de HEER te verzetten?

17

Is de ongerechtigheid van Peor te gering voor ons, waarvan wij ons niet gereinigd hebben tot op deze dag, hoewel er een plaag was in de vergadering van de HEER,

18

Dat gij u nu heden van de HEER zou afwenden? En het zal geschieden dat, als gij u heden tegen de HEER verzet, Hij morgen toornig zal zijn over de gehele vergadering van Israël.

19

Nochtans, als het land van uw bezitting onrein is, trekt dan over naar het land van de bezitting van de HEER, waar de tabernakel van de HEER staat, en neemt bezitting onder ons; maar verzet u niet tegen de HEER, en verzet u niet tegen ons door u een altaar te bouwen naast het altaar van de HEER, onze God.

20

Heeft Achan, de zoon van Zerach, niet een overtreding begaan met het gewijde goed, zodat er toorn over de gehele vergadering van Israël kwam? En die man alleen stierf niet in zijn ongerechtigheid.

21

Toen antwoordden de kinderen van Ruben, de kinderen van Gad en de halve stam Manasse, en zeiden tot de hoofden van de duizenden van Israël:

22

De HEER, de God der goden, de HEER, de God der goden — Hij weet het, en Israël zal het weten — of het in opstand is, of in overtreding tegen de HEER, red ons dan heden niet,

23

Dat wij ons een altaar gebouwd hebben om ons van de HEER af te wenden, of om daarop brandoffers, spijsoffers of vredeoffers te brengen — de HEER Zelf eise het;

24

En als wij het niet veeleer gedaan hebben uit vrees voor deze zaak, denkende: In de toekomst zouden uw kinderen tot onze kinderen kunnen zeggen: Wat hebt gij met de HEER, de God van Israël, te maken?