Terug naar Jozua 22
VSV
Statenvertaling

Jozua 22:24

En als wij het niet veeleer gedaan hebben uit vrees voor deze zaak, denkende: In de toekomst zouden uw kinderen tot onze kinderen kunnen zeggen: Wat hebt gij met de HEER, de God van Israël, te maken?

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 22 — omringende verzen

19

Nochtans, als het land van uw bezitting onrein is, trekt dan over naar het land van de bezitting van de HEER, waar de tabernakel van de HEER staat, en neemt bezitting onder ons; maar verzet u niet tegen de HEER, en verzet u niet tegen ons door u een altaar te bouwen naast het altaar van de HEER, onze God.

20

Heeft Achan, de zoon van Zerach, niet een overtreding begaan met het gewijde goed, zodat er toorn over de gehele vergadering van Israël kwam? En die man alleen stierf niet in zijn ongerechtigheid.

21

Toen antwoordden de kinderen van Ruben, de kinderen van Gad en de halve stam Manasse, en zeiden tot de hoofden van de duizenden van Israël:

22

De HEER, de God der goden, de HEER, de God der goden — Hij weet het, en Israël zal het weten — of het in opstand is, of in overtreding tegen de HEER, red ons dan heden niet,

23

Dat wij ons een altaar gebouwd hebben om ons van de HEER af te wenden, of om daarop brandoffers, spijsoffers of vredeoffers te brengen — de HEER Zelf eise het;

24

En als wij het niet veeleer gedaan hebben uit vrees voor deze zaak, denkende: In de toekomst zouden uw kinderen tot onze kinderen kunnen zeggen: Wat hebt gij met de HEER, de God van Israël, te maken?

25

Want de HEER heeft de Jordaan tot een grens gemaakt tussen ons en u, o kinderen van Ruben en kinderen van Gad — gij hebt geen deel in de HEER; zo zouden uw kinderen onze kinderen doen ophouden de HEER te vrezen.

26

Daarom zeiden wij: Laat ons nu een altaar bouwen, niet voor brandoffers, noch voor slachtoffers;

27

Maar opdat het een getuige zij tussen ons en u, en onze geslachten na ons, dat wij de dienst van de HEER voor Zijn aangezicht mogen verrichten met onze brandoffers, en met onze slachtoffers, en met onze dankoffers; opdat uw kinderen in de toekomst niet tot onze kinderen zouden zeggen: Gij hebt geen deel in de HEER.

28

Daarom zeiden wij: Wanneer zij dit in de toekomst tot ons of onze geslachten zouden zeggen, dan zullen wij antwoorden: Ziet het voorbeeld van het altaar van de HEER, dat onze vaderen gemaakt hebben, niet voor brandoffers, noch voor slachtoffers; maar het is een getuige tussen ons en u.

29

Het zij verre van ons dat wij tegen de HEER zouden rebelleren en ons heden van de HEER zouden afkeren, om een altaar te bouwen voor brandoffers, voor spijsoffers, of voor slachtoffers, buiten het altaar van de HEER onze God, dat voor Zijn tabernakel staat.