Jozua 24:17
“Want de HEER onze God, Hij is het die ons en onze vaderen opgeleid heeft uit het land Egypte, uit het diensthuis, en die voor onze ogen die grote tekenen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al de weg die wij gegaan zijn, en onder al de volken door wier midden wij getrokken zijn;”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 24 — omringende verzen
En Ik zond horzels voor u uit, die hen van voor u verdreven, namelijk de twee koningen van de Amorieten; niet door uw zwaard, noch door uw boog.
13En Ik heb u een land gegeven waarvoor gij niet gearbeid hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en gij woont daarin; van de wijngaarden en olijfgaarden die gij niet geplant hebt, eet gij.
14Vreest dan nu de HEER en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte; en dient de HEER.
15En indien het kwaad in uw ogen is de HEER te dienen, kiest dan heden wie gij dienen wilt; hetzij de goden die uw vaderen gediend hebben die aan de overzijde van de rivier waren, of de goden van de Amorieten in wier land gij woont; maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEER dienen.
16En het volk antwoordde en zeide: Het zij verre van ons dat wij de HEER zouden verlaten om andere goden te dienen;
Want de HEER onze God, Hij is het die ons en onze vaderen opgeleid heeft uit het land Egypte, uit het diensthuis, en die voor onze ogen die grote tekenen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al de weg die wij gegaan zijn, en onder al de volken door wier midden wij getrokken zijn;
En de HEER heeft voor ons uit verdreven al de volken, zelfs de Amorieten die in het land woonden; daarom zullen ook wij de HEER dienen, want Hij is onze God.
19En Jozua zeide tot het volk: Gij kunt de HEER niet dienen; want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.
20Indien gij de HEER verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omkeren en u kwaad doen en u verteren, nadat Hij u goed gedaan heeft.
21En het volk zeide tot Jozua: Neen; maar wij zullen de HEER dienen.
22En Jozua zeide tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de HEER gekozen hebt om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.