Jozua 6:17
“En de stad zal de HEER gewijd zijn, zij met al wat daarin is; alleen Rachab, de hoer, zal leven, zij en allen die bij haar in het huis zijn, omdat zij de boden verborgen heeft die wij gezonden hadden.”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 6 — omringende verzen
En Jozua stond vroeg in de morgen op, en de priesters namen de ark van de HEER op.
13En zeven priesters, die zeven ramshoorns voor de ark van de HEER droegen, trokken voortdurend voort en bliezen op de trompetten; en de gewapende mannen gingen voor hen uit, en de achterhoede volgde de ark van de HEER, terwijl de priesters voortgingen en op de trompetten bliezen.
14En op de tweede dag omtrokken zij de stad één maal, en keerden terug naar het kamp; zo deden zij zes dagen.
15En het geschiedde op de zevende dag, dat zij vroeg opstonden bij het aanbreken van de dag, en de stad op dezelfde wijze zeven maal omtrokken; alleen op die dag omtrokken zij de stad zeven maal.
16En het geschiedde bij de zevende maal, toen de priesters op de trompetten bliezen, dat Jozua tot het volk zeide: Juicht! Want de HEER heeft u de stad gegeven.
En de stad zal de HEER gewijd zijn, zij met al wat daarin is; alleen Rachab, de hoer, zal leven, zij en allen die bij haar in het huis zijn, omdat zij de boden verborgen heeft die wij gezonden hadden.
Maar wacht u in elk geval voor het gebannene, opdat gij niet in den ban doet en het kamp van Israël tot een vloek maakt en het in het verderf stort, wanneer gij van het gebannene neemt.
19Maar al het zilver en goud, en de vaten van koper en ijzer, zijn de HEER geheiligd; zij zullen komen in de schatkamer van de HEER.
20Zo juichte het volk toen de priesters op de trompetten bliezen; en het geschiedde, toen het volk het geluid der bazuin hoorde en het volk met een groot gejuich juichte, dat de muur recht neerviel, zodat het volk de stad introk, een ieder recht voor zich uit, en zij de stad innamen.
21En zij sloegen met de scherpte des zwaards alles wat in de stad was, zowel man als vrouw, jong en oud, en rund, en schaap, en ezel.
22Maar Jozua had tot de twee mannen die het land verspied hadden, gezegd: Gaat het huis der hoer in, en brengt vandaar de vrouw en alles wat zij heeft naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt.