Terug naar Jozua 6
VSV
Statenvertaling

Jozua 6:20

Zo juichte het volk toen de priesters op de trompetten bliezen; en het geschiedde, toen het volk het geluid der bazuin hoorde en het volk met een groot gejuich juichte, dat de muur recht neerviel, zodat het volk de stad introk, een ieder recht voor zich uit, en zij de stad innamen.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 6 — omringende verzen

15

En het geschiedde op de zevende dag, dat zij vroeg opstonden bij het aanbreken van de dag, en de stad op dezelfde wijze zeven maal omtrokken; alleen op die dag omtrokken zij de stad zeven maal.

16

En het geschiedde bij de zevende maal, toen de priesters op de trompetten bliezen, dat Jozua tot het volk zeide: Juicht! Want de HEER heeft u de stad gegeven.

17

En de stad zal de HEER gewijd zijn, zij met al wat daarin is; alleen Rachab, de hoer, zal leven, zij en allen die bij haar in het huis zijn, omdat zij de boden verborgen heeft die wij gezonden hadden.

18

Maar wacht u in elk geval voor het gebannene, opdat gij niet in den ban doet en het kamp van Israël tot een vloek maakt en het in het verderf stort, wanneer gij van het gebannene neemt.

19

Maar al het zilver en goud, en de vaten van koper en ijzer, zijn de HEER geheiligd; zij zullen komen in de schatkamer van de HEER.

20

Zo juichte het volk toen de priesters op de trompetten bliezen; en het geschiedde, toen het volk het geluid der bazuin hoorde en het volk met een groot gejuich juichte, dat de muur recht neerviel, zodat het volk de stad introk, een ieder recht voor zich uit, en zij de stad innamen.

21

En zij sloegen met de scherpte des zwaards alles wat in de stad was, zowel man als vrouw, jong en oud, en rund, en schaap, en ezel.

22

Maar Jozua had tot de twee mannen die het land verspied hadden, gezegd: Gaat het huis der hoer in, en brengt vandaar de vrouw en alles wat zij heeft naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt.

23

En de jongemannen die als verspieders waren gegaan, gingen naar binnen en brachten Rachab naar buiten, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; en zij brachten al haar verwanten naar buiten en lieten hen buiten het kamp van Israël achter.

24

En zij verbrandden de stad met vuur, en al wat daarin was; alleen het zilver en het goud, en de vaten van koper en van ijzer, legden zij in de schatkamer van het huis van de HEER.

25

Maar Rachab de hoer liet Jozua in leven, met het huisgezin van haar vader en al wat zij had; en zij woont in Israël tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had die Jozua had uitgezonden om Jericho te verspieden.