Terug naar Jozua 7
VSV
Statenvertaling

Jozua 7:17

En hij liet het geslacht van Juda naderen, en het geslacht der Zarhieten werd aangewezen; en hij liet het geslacht der Zarhieten naderen man voor man, en Zabdi werd aangewezen.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 7 — omringende verzen

12

Daarom konden de kinderen van Israël niet standhouden voor hun vijanden, maar keerden de rug voor hun vijanden, omdat zij onder den ban waren; Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij gij het gebannene uit uw midden wegdoet.

13

Sta op, heilig het volk en zeg: Heilig uzelf voor morgen; want zo zegt de HEER, de God van Israël: Er is een gebannene in uw midden, o Israël; gij kunt niet standhouden voor uw vijanden, totdat gij het gebannene uit uw midden wegdoet.

14

Des morgens dan zult gij naderbij gebracht worden naar uw stammen; en de stam dien de HEER aanwijst, zal naderbij komen naar zijn geslachten; en het geslacht dat de HEER aanwijst, zal naderbij komen naar zijn huisgezinnen; en het huisgezin dat de HEER aanwijst, zal naderbij komen man voor man.

15

En het zal zijn, dat hij die gegrepen wordt met het gebannene, verbrand zal worden met vuur, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond van de HEER heeft overtreden en dwaasheid bedreven heeft in Israël.

16

Zo stond Jozua vroeg in de morgen op en liet Israël naderen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd aangewezen.

17

En hij liet het geslacht van Juda naderen, en het geslacht der Zarhieten werd aangewezen; en hij liet het geslacht der Zarhieten naderen man voor man, en Zabdi werd aangewezen.

18

En hij liet zijn huisgezin naderen man voor man, en Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, werd aangewezen.

19

En Jozua zeide tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de HEER, de God van Israël, en doe belijdenis voor Hem; en vertel mij nu wat gij gedaan hebt; verberg het niet voor mij.

20

En Achan antwoordde Jozua en zeide: Waarlijk, ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël, en zo en zo heb ik gedaan.

21

Toen ik onder de buit een schoon Babylonisch gewaad zag, en tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf van vijftig sikkel zwaar, begeerde ik ze en nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.

22

Zo zond Jozua boden, en zij liepen naar de tent; en zie, het was verborgen in zijn tent, en het zilver eronder.