Terug naar Jozua 7
VSV
Statenvertaling

Jozua 7:21

Toen ik onder de buit een schoon Babylonisch gewaad zag, en tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf van vijftig sikkel zwaar, begeerde ik ze en nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 7 — omringende verzen

16

Zo stond Jozua vroeg in de morgen op en liet Israël naderen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd aangewezen.

17

En hij liet het geslacht van Juda naderen, en het geslacht der Zarhieten werd aangewezen; en hij liet het geslacht der Zarhieten naderen man voor man, en Zabdi werd aangewezen.

18

En hij liet zijn huisgezin naderen man voor man, en Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, werd aangewezen.

19

En Jozua zeide tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de HEER, de God van Israël, en doe belijdenis voor Hem; en vertel mij nu wat gij gedaan hebt; verberg het niet voor mij.

20

En Achan antwoordde Jozua en zeide: Waarlijk, ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël, en zo en zo heb ik gedaan.

21

Toen ik onder de buit een schoon Babylonisch gewaad zag, en tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf van vijftig sikkel zwaar, begeerde ik ze en nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.

22

Zo zond Jozua boden, en zij liepen naar de tent; en zie, het was verborgen in zijn tent, en het zilver eronder.

23

En zij namen het uit het midden van de tent en brachten het tot Jozua en tot alle kinderen van Israël, en legden het neer voor de HEER.

24

En Jozua, en geheel Israël met hem, nam Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het gewaad, en de goudstaaf, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn runderen, en zijn ezels, en zijn schapen, en zijn tent, en al wat hij had; en zij brachten hen naar het dal Achor.

25

En Jozua zeide: Waarom hebt gij ons in het ongeluk gestort? De HEER zal u heden in het ongeluk storten. En geheel Israël stenigde hem met stenen en verbrandde hen met vuur, nadat zij hen met stenen gestenigd hadden.

26

En zij wierpen over hem een grote steenhoop op, die er tot op de huidige dag is. Zo keerde de HEER Zich af van de hevigheid van Zijn toorn. Daarom werd de naam van die plaats het dal Achor genoemd tot op de huidige dag.