Jozua 8:35
“Er was geen woord van alles wat Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas voor de gehele vergadering van Israël, met de vrouwen en de kleinen, en de vreemdelingen die onder hen verkeerden.”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 8 — omringende verzen
Toen bouwde Jozua een altaar voor de HEER, de God van Israël, op de berg Ebal,
31zoals Mozes, de dienaar van de HEER, de kinderen Israëls had geboden, zoals geschreven staat in het wetboek van Mozes: een altaar van onbewerkte stenen, waarover geen ijzer is geheven. En zij offerden daarop brandoffers aan de HEER en brachten vredeoffers.
32En hij schreef daar op de stenen een afschrift van de wet van Mozes, die hij schreef in tegenwoordigheid van de kinderen Israëls.
33En geheel Israël, met hun oudsten, hun opzieners en hun rechters, stonden aan weerszijden van de ark, tegenover de priesters, de Levieten, die de ark van het verbond van de HEER droegen, zowel de vreemdeling als de ingeborene; de helft van hen tegenover de berg Gerizim en de helft tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, tevoren had geboden, om het volk Israël te zegenen.
34En daarna las hij al de woorden van de wet voor, de zegeningen en de vervloekingen, overeenkomstig alles wat geschreven staat in het wetboek.
Er was geen woord van alles wat Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas voor de gehele vergadering van Israël, met de vrouwen en de kleinen, en de vreemdelingen die onder hen verkeerden.