Terug naar Jozua 9
VSV
Statenvertaling

Jozua 9:21

En de vorsten zeiden tot hen: Laat hen leven; maar laat hen houthakkers en waterputters zijn voor de gehele vergadering, zoals de vorsten hun beloofd hadden.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 9 — omringende verzen

16

En het geschiedde, na drie dagen, nadat zij dit verbond met hen gesloten hadden, dat zij hoorden dat zij hun naburen waren en dat zij midden onder hen woonden.

17

En de kinderen Israëls braken op en kwamen op de derde dag bij hun steden. Hun steden nu waren Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim.

18

En de kinderen Israëls versloegen hen niet, omdat de vorsten van de vergadering hun gezworen hadden bij de HEER, de God van Israël. En de gehele vergadering morde tegen de vorsten.

19

Maar alle vorsten zeiden tot de gehele vergadering: Wij hebben hun gezworen bij de HEER, de God van Israël; nu mogen wij hen niet aanraken.

20

Dit zullen wij met hen doen: wij zullen hen in leven laten, opdat er geen toorn over ons kome vanwege de eed die wij hun gezworen hebben.

21

En de vorsten zeiden tot hen: Laat hen leven; maar laat hen houthakkers en waterputters zijn voor de gehele vergadering, zoals de vorsten hun beloofd hadden.

22

En Jozua riep hen en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen: Wij wonen zeer ver van u, terwijl u midden onder ons woont?

23

Nu dan, u bent vervloekt, en er zal niemand van u vrij zijn van de slavernij: u zult houthakkers en waterputters zijn voor het huis van mijn God.

24

En zij antwoordden Jozua en zeiden: Het was uw knechten zeker meegedeeld, dat de HEER, uw God, Zijn knecht Mozes geboden had u het gehele land te geven en alle inwoners des lands voor u te verdelgen; daarom vreesden wij ten zeerste voor ons leven vanwege u en hebben wij dit gedaan.

25

En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe met ons zoals het u goed en juist toeschijnt te doen.

26

En zo deed hij met hen en verloste hen uit de hand van de kinderen Israëls, zodat zij hen niet doodden.